Hervormd Woudenberg

Op 1 januari 1869 werd het orgel tijdens de Nieuwjaarsdienst in gebruik genomen. In de Amersfoortsche Courant werd  verslag gedaan van het gebeuren. Men wist te melden dat de mensen konden genieten van een welluidende nieuwjaarsgroet, nadat de orgeltrapper wind in de balg had gepompt, terwijl aller ogen gericht waren op het rijk versierde orgelfront.  Dat is nu dus 150 jaar geleden..

De gemeente zingt dus al 150 jaar de lofzang bij ons mooie kerkorgel. Het heeft in al die jaren trouwe dienst een belangrijke bijdrage geleverd aan de invulling van de lofzang in onze erediensten en ook bij de vele concerten van onder meer het zangkoor Jubilate Deo die in de kerk zijn gegeven. Wanneer wij in navolging van Israël al zingend en musicerend Gods heilige Naam prijzen, belijden en verkondigen in ons lied, bouwen wij een troon op voor Hem. Daardoor komt Hij dichterbij ons en ervaren we Zijn aanwezigheid en kan Hij tot ons spreken. Zoals Psalm 22,4 het zegt: “Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël.”

           

De opdracht voor de bouw werd in februari 1868 gegeven aan de firma Knipscheer & co, een orgelmakerij in de Warmoesstraat in Amsterdam. Het instrument kostte 3.100 gulden. In pure koopkracht zou dat bedrag nu ongeveer € 30.500 zijn, maar daarvoor kun je vandaag geen vergelijkbaar kerkorgel meer laten bouwen. Een ontwerptekening van het Knipscheer-orgel is tot op heden niet gevonden.

Als je het orgel van dichtbij bekijkt wordt de aandacht onmiddellijk getrokken door de rijke versiering van de bovenlijst en het lofwerk rond de pijpvoeten. Dit vertoont grote overeenkomst met het lofwerk van de pedaaltorens van het Naber-orgel (1845) van de St-Joriskerk in Amersfoort. Misschien heeft de Amersfoortse schrijnwerker Albertus van den Hooff – broer van de Woudenbergse organist –  voor een vriendenprijs het lofwerk gemaakt. Het orgelfront vertoont grote verwantschap met een Duits Ibach-orgel in Barmen. Dit orgel werd in 1857 voltooid naar een ontwerp van de Duitse architect Anton Schnitzler (1796-1873). De connectie is wellicht verklaarbaar uit het feit dat de compagnon van Herman Knipscheer, van Ingen, ook als vertegenwoordiger voor Ibach werkte.

Het is wel een aardig duur front voor een orgel van ƒ 3.100,-. Hadden de kerkrentmeesters zoveel geld op de plank liggen of was er een onbekende weldoener die dit mogelijk maakte? Het eerste is niet zo waarschijnlijk omdat we weten dat het onderhoud aan de pastorie er vaak bij inschoot, waardoor 50 jaar later zelfs het opknappen ervan niet meer zinvol werd geacht.

In 2009 is het orgel partieel gerestaureerd door de firma van Vulpen na een voorafgaande degelijk onderzoek naar de staat van het instrument. Vóór de restauratie was het klankbeeld onsamenhangend. Weliswaar verloochende het Knipscheer-pijpwerk zijn 'klasse' niet, maar de diverse wijzigingen bij groot onderhoud in 1945, 1968 en 1977 hadden het evenwicht in de klankopbouw danig verstoord. Met de laatste restauratie is dat weer rechtgetrokken, waarbij het klankbeeld weer in overeenstemming is gebracht met het oorspronkelijk instrument. In 2016 is er een nieuwe blaasbalg in het orgel aangebracht. Het orgel verkeert dus in goede staat en kan naar wij hopen nog vele jaren trouwe dienst doen om samen met de gemeente God groot te maken in ons lied.

529