Hervormd Woudenberg

1e artikel:
Aandachtig Luisteren

‘De kerk?! Daar mot ik helemaal niks mee!’. Ik sta in de winkelstraat van de Spaarndammerbuurt en doe interviews met toevallige voorbijganger. ‘Als hier een nieuwe kerk gestart zou worden, wat zou die dan moeten doen?’. Zijn antwoord is duidelijk. Helemaal niets. Ik schrijf druk mee in mijn notitieblokje. Dit is alweer vijf jaar terug, maar het voelt als gisteren.

Ons wijkkerkgebouw is bijna 100 jaar oud en hoort bij de Spaarndammerbuurt. Toen ik als ‘missionair werker’ werd aangesteld, was ik de volgende in een lange rij van evangelisten, missionair ouderlingen en predikanten op deze plek. Er waren goede contacten in de buurt, een vierende gemeenschap en een fysieke plek. Ik had mijn week meteen kunnen vullen met allerlei (nieuwe) activiteiten. Maar toch moest ik eerst opnieuw beginnen.

Het is één van de kenmerkende eigenschappen van ‘missionair kerk-zijn’ dat we opnieuw durven te beginnen. Niet omdat er niets was of het oude niet goed is. Maar omdat ‘opnieuw beginnen’ ons dwingt om eerst te luisteren naar God en open te zijn naar onze omgeving. Een beetje zoals een regering een 100-dagen tour doet om eerst te luisteren naar wat er werkelijk leeft.

In de eerste christelijke gemeente is dát precies wat er gebeurd. De eerste joodse christenen gaan op pad met een voor hun vertrouwd en toch ook nieuw verhaal: Jezus is de beloofde Messias en Redder van het joodse volk. Ze gaan meteen aan de slag. Maar al gauw dwingt de Geest deze jonge kerk om opnieuw te luisteren en open te zijn. Want dankzij het werk van de apostel Paulus, komen de eerste ‘heidenen’ tot geloof in Jezus.

In Handelingen 15 lezen we over die spanning tussen de bekende weg (‘je houden aan de joodse gebruiken’) en het ontdekken van Gods nieuwe wegen met deze ‘heidenvolken’. Het zijn de doorgewinterde Joodse mannen Petrus en Jakobus zijn, die als eerste oproepen tot ‘luisteren naar wat de Geest van God doet bij de andere volken’ (Hand. 15:8). En die andere doorgewinterde gelovige, Paulus, luistert als geen ander naar zijn omgeving als hij schrijft ‘voor iedereen wel iets’ te zijn geworden omwille van het evangelie  van Jezus Christus (1 Kor 9:22).

En dus begon ik mijn ‘missionaire werk’ 5 jaar geleden met deze twee dingen: een luisterend gebed en een vragenlijst voor buurtbewoners. En dat is misschien het spannendste om te doen bij ‘missionair kerk-zijn’ en pionieren. Of bij een nieuw kerkgebouw in een nieuwe wijk. Om niet meteen veel te willen doen en te organiseren. Maar dat we met lege handen durven staan. En dat we beginnen met actief luisteren: naar Gods Geest en onze omgeving.


2e artikel
Levende Stenen

Er was een tijd dat ik kerkgebouwen maar onzinnig vond. Stenen kolossen in het landschap die in een tijd van ontkerkelijking maar een sta-in-de-weg-zijn. Kerken zijn duur en veel gesloten kerkgebouwen kunnen maar moeilijk een herbestemming vinden. Kunnen we niet beter kiezen voor een lichte vorm van kerk-zijn, zonder gebouwen?

De missionaire praktijk van het werk in Amsterdam heeft me anders doen aankijken tegen kerkgebouwen. Kerkgebouwen scheppen tegenwoordig juist voor niet-kerkelijken een belangrijke ruimte om God te zoeken. Tal van grote protestantse stadskerken proberen dagelijks hun deuren te openen, voor stilte, gebed en het branden van een kaarsje. En ook een wijkgebouw als Hebron heeft, als gebouw, een belangrijke missionaire functie. Gelukkig heeft iemand ze ooit gebouwd!

In de bijbel tussen ‘je tent opslaan’ en ‘je tent opbreken’. Geloofshelden als Abraham, David en Paulus waren mensen van onderweg. Dat had natuurlijk te maken met hun eigen roeping, maar het wordt in de bijbel ook aangehaald als beeld van de gelovige: een pelgrim die nooit écht thuis is in deze wereld. En als de leerlingen van Jezus vol verwondering naar het tempelgebouw kijken, is Jezus kritisch en heeft hij het over het afbreken van de stenen.

De plek waar God mensen ontmoet, is allereerst in het hart van mensen zelf. ‘uw lichaam is een tempel’, zegt Paulus. En de christelijke gemeenschap, al komt ze samen in het buurthuis, zijn zelf ‘de levende stenen van God’, aldus Petrus. God zit niet in onze stenen. De kerk, als gebouw, ‘het huis van God’ noemen past dus zeker niet bij het Nieuwe Testament. God zendt zijn volk de wereld in, onze gebouwen zijn ‘slechts’ een middel in dienst van het evangelie.

Als we zo onze gebouwen een plek geven, kunnen ze van grote waarde zijn in Gods missie. Toen het wijkgebouw Hebron 100 jaar geleden werd gebouwd in een nieuw stuk Amsterdam (de Spaarndammerbuurt) begrepen de voorouders dat meteen. Ze gaven het gebouw een concrete doelstelling: missionaire presentie in de wijk. En vanuit daar wortelde het gebouw in de buurt. Met de woningen met een leefgemeenschap erboven, is het opgenomen in het straatbeeld, en deel geworden van de buurt.

En tegelijk vallen de stenen op in de straat. Niet vanwege de vorm van het gebouw of het uiterlijk. Slechts een paar vlaggen laten zien dat er ‘iets’ zit in het gebouw en pas als je goed kijkt zie je ergens ‘buurtkerk’ staan. Nee, de stenen vallen op door de mensen die in en uit lopen. Levende stenen die, zoals Petrus beschrijft, als priesters dienstbaar zijn aan God en de wereld om hen heen.

580